12 april 2006

Toespraak installatie nieuw college


Raadsvergadering installatie college

Mevrouw de Voorzitter,

Vanavond blikken we terug op het onderhandelingsproces van de afgelopen weken
dat heeft geleid tot overeenstemming tussen drie partijen om het college te gaan
vormen. Daarmee worden ook de met de gemeenteraadsverkiezingen van 7 maart
gewijzigde politieke verhoudingen doorvertaald naar het dagelijks bestuur van de
gemeente. Later deze maand hopen we nog afzonderlijk een discussie te voeren
over de inhoud van het collegeprogramma.

Op dit moment wil ik aandacht vragen voor een tweetal punten:

  1. de vorming van het college;

  2. de portefeuilleverdeling.

Ad1: de vorming van het college
In de rapportage van de heer Cachet van 21 maart jl. wordt verantwoording afgelegd
over de gevolgde werkwijze om te komen tot een nieuw college en doet de
informateur verslag van zijn bevindingen. Uit die bevindingen blijkt dat het een breed
gedragen opvatting is dat partijen met electorale winst bij voorkeur mee moeten doen
aan een coalitie. Tevens wordt breed onderschreven dat een college op een
fatsoenlijke meerderheid in de raad moet kunnen rekenen. De SGP kan zich voor
een groot deel vinden in deze breed gedragen opvattingen. Wij willen daarbij wel
twee kanttekeningen plaatsen. In de eerste plaats is de fatsoenlijke meerderheid
uitgegroeid tot een bijna tweederde meerderheid. Nu zou ik dat niet graag een
onfatsoenlijke meerderheid willen noemen, maar een dergelijke verhouding vereist
investering in een goede verhouding tussen coalitie en oppositie. Ik kom zodadelijk
nog terug op onze rol als SGP.
Een tweede kanttekening is dat wij graag hadden gezien dat de christelijke stroming
een plaats had gekregen in het college. Juist in een tijdperk waarin de verhouding
tussen religie en politiek een aangelegen punt is, zou het de moeite waard zijn
geweest indien een poging was ondernomen de christelijke stroming een plaats te
geven in het nieuwe college.

Voorzitter,
Ik sprak zo-even reeds over de verhouding tussen de coalitiepartijen en de nietcollegedragende partijen. Hoewel de SGP niet bij de collegeonderhandelingen is
betrokken, willen wij te allen tijde – waar mogelijk – een constructieve houding
aannemen. Wij zullen het college zakelijk en op beleidsmatige merites beoordelen.
Dus geen oppositie omwille van de oppositie. Dit vergt wel – ik noemde het reeds –
dat wordt geïnvesteerd in verhoudingen. In dat kader zou ik het college willen vragen
om niet te kiezen voor een louter getalsmatige insteek. De uitdaging voor dit college 
zit onder meer in het verwerven van draagvlak voor de plannen bij de niet-collegedragende partijen. Zou het college daarbij ook serieus rekening willen houden
met de argumenten van die partijen? Graag zou ik van het nieuwe college horen
welke visie het heeft op de relatie met de niet-collegedragende partijen.

Ad 2: de portefeuilleverdeling
Formeel gezien is de portefeuilleverdeling een aangelegenheid die het college zelf
moet regelen. Het gaat immers om een interne taakverdeling binnen het college. Wel
is het college over de portefeuilleverdeling verantwoording verschuldigd aan de raad.
In dat kader wil ik enkele opmerkingen maken.
In de eerste plaats constateer ik dat is geschoven met een aantal dossiers en dat de
portefeuilles op maat zijn gemaakt. Dit heeft soms tot gevolg dat een dossier uit
elkaar wordt gehaald. Het meest in het oog springende dossier is onderwijs. De
onderwijshuisvesting is nu losgemaakt van de rest van het onderwijsbeleid. Dit gaat
in tegen de brede tendens van coördinatie van met elkaar verband houdende
beleidsterreinen en is eerder een voorbeeld van risicovolle verkokering. Ook voor het
onderwijsveld lijkt me dit geen aanlokkelijk perspectief. De verdeling van het
onderwijsterrein over twee wethouders heeft namelijk tot gevolg dat de komende vier
jaar in het Platform lokaal onderwijsbeleid met twee wethouders een op
overeenstemming gericht overleg moet worden gevoerd. Aangezien
onderwijshuisvesting één van de centrale elementen is van het lokale
onderwijsbeleid, pleit de SGP ervoor de onderwijshuisvesting niet los te maken van
het onderwijsachterstandenbeleid, de brede school, etc., maar het beleidsterrein
onderwijs integraal toe te delen aan één wethouder.

Een tweede opmerking heeft betrekking op de consequenties van de gewijzigde
portefeuilleverdeling voor de commissie-indeling. De commissie-indeling is een
aangelegenheid die de raad aangaat. In de brief van de informateur van 4 april jl.
wordt een voorstel gedaan voor een herverdeling van commissies. Daarmee wordt
een relatie gelegd tussen de portefeuilleverdeling binnen het college en de
commissie-indeling. Wat de SGP betreft behoeft een gewijzigde portefeuilleverdeling
niet direct te worden gekoppeld aan een herverdeling van commissies. Dat de
commissies niet evenredig zijn verdeeld, is een probleem van andere orde. Het is
goed daarover als raad een discussie te voeren, maar dat staat volgens ons toch los
van de collegeonderhandelingen en de portefeuilleverdeling.

Voorzitter,
Ik kom tot een afronding. De SGP is zeer benieuwd naar de inhoud van het
collegeprogramma. Voor een hecht collegebeleid is een onderliggende visie van
wezenlijk belang. In dit verband wil ik u nog wijzen op het Bijbelse beeld van het huis
op het zand en het huis op de rots (Matth. 7:24-29). Alleen het huis op de rots kon de
stormen en de slagregens doorstaan. We spreken de hoop uit dat het collegebeleid
voor de komende periode de rots van de inhoudelijk samenhangende visie als
fundament zal hebben.

 

Download toespraak